langs de neus weg 1.0
achteloos; terloops
Meestal in combinatie met werkwoorden als meedelen, vragen of zeggen.
Algemene voorbeelden
Achteraf bezien had hij misschien langs zijn neus weg moeten meedelen dat hij dit soort dingen voortdurend deed.
Eens zei ze langs haar neus weg dat hij nog veel moest bidden om in de hemel te komen.
'Hield ze van woorden?' vroeg ik langs mijn neus weg.